



Over het ontstaan en gebruik van shanties
‘A good shantyman is worth four hands on the rope’
Wist u dat u op de kleuterschool al uw eerste shanty zong? Toch is het zo. 'Daar was laatst een meisje loos' zongen ook de stoere matrozen als ze urenlang rond de kaapstander liepen. En wie brulde tijdens het schoolreisje niet 'What shall we do with the drunken sailor? Ook een echte shanty. Eenvoudige liedjes met een krachtig refrein dat uitnodigt tot meezingen. Tegenwoordig beleven duizenden, voornamelijk mannen, plezier aan het zingen van shanties. Al is de zee vaak ver te zoeken, veel dorpen hebben hun eigen zilte zangersgilde in de vorm van een shantykoor. Een heuse zeeman slaat de schrik ervan om het hart. Een shanty is niets meer dan gereedschap bij het zware werk op zee of in de haven. Zingt het varensvolk een shanty gewoon voor de lol in de kroeg; dan brengt dat ongeluk.
Shanties zijn werkliederen die gezongen werden aan boord van de grote zeilschepen in de periode 1820 tot 1930. De grote zeevarende naties waren, in volgorde van belangrijkheid, Engeland, Amerika, Frankrijk, Duitsland, Zweden en Nederland. Shanties ontstonden onder invloed van grotere concurrentie, de komst van snellere, grotere en rankere clippers en de opkomst van de stoomschepen. Er moest meer en harder gewerkt worden door minder mensen. Zowel de kwaliteit van het werk als de sfeer aan boord verbeterde als er gezongen werd.
Eén van de matrozen fungeerde daarbij als shantyman. Hij verstond de kunst om luid en ritmisch refreinliederen te zingen. De refreinen werden meegebruld door de bemanning waarbij op het ritme uit volle kracht werd geduwd, getrokken of gelopen. De shanties werden a capella gezongen, dus zonder instrumentale begeleiding. Bij de verschillende handelingen aan boord zongen de matrozen aparte liederen met een eigen karakter en ritme. Omdat werkzaamheden niet altijd even lang duurden, diende een shantyman over de nodige humor en improvisatievermogen te bezitten. Hij verzon ter plekke nieuwe coupletten. De liedjes gingen over de vrouwen aan de kade, zeemeerminnen en andere zeemansdromen. Over bijgeloof, grote tragedies of moedige avonturen. Over lofzangen op de zeilvaart of over bijzondere schepen. Over de slechte omstandigheden aan boord; het harde werken, de slechte kok of de onredelijke kapitein. Shanties waren een stuk gereedschap, net als een mes en de kabelgarens. Matrozen associeerden deze liederen met werken. Het was uit den boze om een shanty te zingen aan de wal of tijdens een spaarzame korte rustperiode aan boord.


Stan Hugill
Met het verdwijnen van de grote zeilers dreigden ook de werkliederen
te verdwijnen. Veel shanties zijn ook daadwerkelijk met hun zangers ten onder gegaan.
Meteen na de teloorgang van de zeilvaart schreven gepensioneerde zeelieden in Amerika,
Frankrijk, Zweden en Duitsland hun repertoire op in liedboeken. Een voorbeeld is
het boek Chansons de bord van de Franse officier Armand Hayet (1927).
De belangrijkste onderzoeker en verzamelaar van shanties was Stan Hugill (1906-
Ook gaf hij lezingen over het leven aan boord en de wijze waarop de liederen werden gebruikt. Zonder zijn onderzoek en inspanningen had de wereld van de maritieme muziek er heel anders uitgezien.
Andere onderzoekers van bronnen zijn het Franse ‘Le Chasse-
Van de Nederlandstalige shanties zijn er maar weinig bewaard gebleven. Ze zijn teruggevonden in oude boeken of opgetekend door verzamelaars van oude traditionele liederen. Ate Doornbosch is zo’n onderzoeker. Voor het geringe aantal Nederlandstalige shanties zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Zo is er in de 19 e en 20 e eeuw geen systematisch onderzoek naar gedaan. Een Nederlandse Stan Hugill of Armand Hayet is nooit opgestaan. Dat kan te maken hebben met onze calvinistische inslag, die de vaak ruige of schunnige teksten niet kon verdragen. Maar dat is het niet alleen; er waren ook gewoon niet veel Nederlandstalige shanties. Nederland verloor in het begin van de 19 e eeuw zijn positie als toonaangevende zeevaartnatie vanwege de Napoleontische oorlogen. Er waren minder schepen en de boten die er waren, lagen werkloos in de havens. Hiermee verdwenen grotendeels de Nederlandse tradities en liedjes. Na de Franse overheersing bouwde Nederland zijn vloot weer op. De schepen voeren toen echter vaak met buitenlandse bemanningsleden. Die zongen voornamelijk Engelse, Duitse of Franse shanties of in een mengelmoestaaltje, het pidgin. Deze buitenlandse ‘gereedschappen’ voldeden prima en verhinderden zo het ontstaan van nieuwe Nederlandstalige arbeidsliedjes.

Klippers
Shanties werden populair aan het begin van de industriële revolutie, tussen
1830 en 1860, en bleven dat tot rond 1930. Dit was de eeuw van de klippers. De dikbuikige
Oost-
Deze schepen waren soms meer dan honderd meter lang en voeren met zesduizend vierkante meter zeil. De zeilen waren daarbij bevestigd aan de horizontale rondhouten of holle metalen buizen, ra’s genoemd. Door de ra’s heen en weer te bewegen, te brassen, konden ze naar de wind gezet worden. De meeste zeilen moest je hijsen, dat gebeurde met de val. De mannen vormden een rij aan het touw beneden op het dek en trokken het zeil omhoog. Andere zeilen werden neergelaten. Het meeste werk aan de touwen of hoog in de masten was handwerk.
Er waren weinig werktuigen aan boord. Voorbeelden ervan zijn de kaapstander ofwel gangspil en de pompen. De kaapstander werd gebruikt om het anker te hieuwen of het schip in de haven of in de sluizen te verhalen. De pompen aan boord dienden om de altijd lekkende schepen drijvende te houden. Met de komst van stoomschepen taande de almacht van de clippers. Rond 1930 was het gedaan met de zeilende vrachtvaart en daarmee met het verschijnsel shanty als werklied. Er werd overigens niet op alle schepen gezongen: op marineschepen was het zingen juist taboe.
De shanties
De werkzaamheden aan boord van de schepen gingen sneller en efficiënter
als er een shantyman aan boord was. Het was doorgaans een gewone matroos, die, naast
alle voorkomende werkzaamheden, de taak van voorzanger op zich nam. Hij trok dan
zelf niet aan de touwen, maar stond bij het blok om het touw door te halen. Hij liep
niet mee rond de kaapstander maar zat er bovenop. De shantyman had in zijn leven
een enorm repertoire aan liederen opgebouwd. Hij leerde de shanties in de praktijk,
van zijn vader en/of andere zangers.
Het woord ‘shanty’ is voor eerst genoemd in een geschrift uit 1850. Er zijn meerdere theorieën omtrent de oorsprong van het woord. Mogelijk is het afkomstig van het Franse ‘chantez’ (zingen). Hoe belangrijk een shantyman was blijkt uit de lijfspreuk van Stan Hugill: ‘A good shantyman is worth four hands on the rope’.
De shanties werden in de jaren zeventig, tachtig en negentig van de negentiende eeuw
gemeengoed op de schepen. De liederen kwamen overal vandaan. Sommige ontstonden aan
boord van de schepen. Veel teksten en melodieën kwamen echter van de wal. Bijvoorbeeld
van soldatenliedjes uit de Amerikaanse burgeroorlog. Ze werden van andere teksten
voorzien en hier en daar in de melodie gewijzigd. De negers van de plantages namen,
na de afschaffing van de slavernij, hun werkliedjes en negro-
De bemanningen van schepen waren een mix van matrozen uit vele landen en continenten. Hierdoor komen veel liedjes in verschillende talen voor met talloze variaties in melodie of tekst. Sommige liedjes werden bij verschillende werkzaamheden gezongen, bijvoorbeeld door ze sneller of langzamer of in een andere maatsoort te zingen.
Shanties zijn grofweg in te delen in twee grote groepen. Liederen voor werktuigen als de kaapstander en de pompen en liederen om de zeilen te hijsen. In het Engels noemen ze deze indeling heave and haul.
Aan de kaapstander
Er zijn veel mooie shanties voor het werk aan de kaapstander.
Dit werk was vaak langdurig en eentonig. Er hoefde geen heftige ruk gegeven worden,
maar de matrozen liepen rond de kaapstander, voorovergebogen duwend tegen de spaken.
Met een kaapstander kon veel meer kracht op de trossen gezet worden. Je kon een schip
in de haven verhalen (verplaatsen) of het anker hieuwen. Het ophalen van het anker
kon soms wel een etmaal duren. Voorbeelden van Nederlandstalige kaapstanderliedjes
zijn Rendowee en De IJzeren man.
Aan de pompen
Pompen waren werktuigen waarmee het water uit het schip werd gepompt.
Vooral bij hoge zeeën als er nogal wat water het ruim binnenspoelde of bij minder
goed onderhouden schepen, moest hard gewerkt worden. Dagenlang bewogen matrozen de
pompen op en neer in eindeloze cadans. Helaas zijn er bijna geen Nederlandstalige
pompshanties bewaard gebleven. ‘Leave her Johnny leave her’ is een bekend Engels
voorbeeld.
Aan de touwen
Een grote drie-
Soms moest er langdurig aan de touwen getrokken worden; soms waren een paar korte
heftige rukken genoeg. De meest basale shanty is een yel, een schreeuw die volgde
op een korte aanloop. “Eén, twee, drie en...hup!” De zeelui gebruikten hun creativiteit
en verzonnen allerlei woorden en zinnen als variaties op deze uitroep. Vervolgens
ontstonden er melodieën. Bij liederen voor korte werkzaamheden als het optrekken
van een licht zeil, het brassen of bij alles wat een korte laatste ruk moest hebben,
hoor je die korte yel nog steeds. Deze shanty heet de ‘sing-
Kenmerkend voor veel shanties is de structuur: De shantyman zingt één regel solo,
dan valt de bemanning in met het refrein, vervolgens zingt de shantyman weer een
soloregel en tenslotte zingt de bemanning het tweede refrein. Dit wordt herhaald
tot het werk af is. De matroos aan het eind van het touw geeft dan een schreeuw en
het lied stopt. Een shanty voor lichte zeilen werd bijvoorbeeld ‘hand-
Andere werkzaamheden
Ook voor andere werkzaamheden aan boord waren liedjes. Het Nederlandstalige
lied ‘Hejo’ is gebaseerd op het Duitse Heho, hurra frisch nah. Het werd gebruikt
voor het binnenhalen van de visnetten. Ook bij het lossen van vracht werd gezongen.
De enige liederen die bekend zijn om de ballast in het schip te brengen zijn van
Nederlandse komaf. ‘West Zuid West van Ameland’ is de bekendste. Nadat de schepen
gelost waren, werden bij laag water manden met zand van het wad gehaald en in het
ruim gestort om als ballast te dienen.
De herontdekking van de shanty
Eind jaren vijftig bracht Harry Bellafonte de shanty
wereldwijd in de belangstelling met nummers als Round the bay of Mexico en de Bananabootsong.
Het boek Shanties From The Seven Seas van Stan Hugill (1961) was een grote bron van
inspiratie voor veel folkgroepen in de jaren zestig en zeventig. Toen vanaf de jaren
tachtig de grote Sail-
De archieven met shanties zijn zo langzamerhand uitgeput. Daarom schrijven muzikanten steeds vaker nieuwe shanties gebaseerd op de structuur van de oude liederen en met teksten, die historisch gezien verantwoord zijn. Nanne Kalma is in Nederland wat dat betreft onovertroffen. Zo blijft de traditie van werkliederen voortleven ondanks dat het zeilende zeemansleven voor altijd is veranderd.
